Deel 6: Aan het front

Na zijn opleiding werd Cyriel ingelijfd bij het eerste regiment Jagers te voet, 1ste bataljon, 1ste compagnie.

Eind mei 1915 vertrok het hele regiment van het kamp naar het front. Vanaf nu werd Cyriels leven heel wat minder comfortabel, want de strijdende partijen hadden zich ingegraven in loopgraven. Het leven in de ‘tranchees’ was bijzonder bar.

Cyriel bracht Constant op de hoogte van zijn vertrek naar het front en die was er het hart van in. De broers waren erg aan elkaar gehecht. Hier zien we een foto die genomen werd toen Cyriel Constant tijdens een van zijn verloven in Villeneuve-le-Roi ging bezoeken.

Nu schreef Constant hem:

Beste Cyriel,

Gisteren avond kom ik uwen brief te ontvangen (…), en bij ’t lezen van dat onverwachte nieuws, kon ik mijne tranen niet bedwingen. En inderdaad, is het niet wreed voor mij, u te moeten zien vertrekken naar dat bloedige slagveld, waar reeds zoo ontelbare lijken zijn ten gronde gevallen onder ’t wreede moorderstuig, en waar elken dag nog honderden hun levensdraad afgesneden zien; en hoevelen zullen zijn die hun geboortegrond met hun bloed zullen besproeien, God weet het; misschien zal het uwe, Cyriel er ook nog vloeien. Welk ’n wreed denkbeeld?

En zoo, zie ik m’n laatste en enigste familielid van mij wegrukken.

Eerst was’t van vader, Louise, Maria, Madleintje en Jozef, dat ik ontrukt was; namen die me nooit uit ’t geheugen gaan, die me dag en nacht bezighouden en die ik nooit zal vergeten. Hoe lastig is het niet zolang van Hen te moeten gescheiden zijn en Hen misschien nooit meer te zullen weerzien ten zij in den Hemel.

Wanneer zal dan dien gelukkigen en zoo gewenschten dag komen dat wij allen samen verenigd God zullen mogen loven en danken! Wanneer? Dan ook zullen we bij Moeder zijn! ’t Is of ik zie Moeder uw stappen volgen naar ’t slagveld, waar onder ’t wappren der vlag en onder de bescherming van ’t kruisbeeld ge zult strijden en vechten, en den goeden strijd gestreden hebbende, u den palmtak als teken der overwinning zal overhandigd worden.

Vooruit dan, Cyriel, onder Gods zegen. Ter zege, voor God en Vaderland! Ziedaar uwe leus, uw ideaal, naar ’t welk ge reeds altijd gansch uw leven streeft.

Brief van Constant aan Cyriel Deruytter, Villeneuve-le-Roi, 7 mei 1915 // Lees hier alle brieven //

We mogen niet vergeten dat Constant nog maar zeventien jaar was en zonder familie op de vlucht in Frankrijk. Met Kerst 1915 schreef Constant aan Cyriel over de heimwee die hij voelde tijdens de middernachtsmis die hij bijwoonde in Frankrijk:

Ja, op dien oogenblik, ik twijfel er niet aan, uwe gedachten waren ook thuis, te midden den lieven huiskring. O! Cyriel, (…) nooit was ik weg van thuis, van die lieve wezens, die me zoo dikwijls doen tranen storten ’s namiddags, op mijn werk, niet veel moeten doende, dan denk ik soms op thuis, en speelt Vader, Maria, Madleintje, Louise en Jozef voor m’n oogen, en dan parelt nu en dan ’n traan in m’n oogen, tranen van liefde. Nu, Cyriel, dan denk ik ook aan u, die daar zoo ’n arm leven moet leiden in de tranchées; o, neen we mogen er niet aan denken; ons lot moeten we den Heere overlaten

Brief van Constant aan Cyriel Deruytter, Villeneuve-le-Roi, 28 december 1915 // Lees hier alle brieven //

Constant had in Villeneuve wel een goed onderkomen gevonden. Hij was er opgenomen in het gezin van Jozef Knockaert, een brouwer uit Zarren die ook gevlucht was. Constant vond echt een tweede vader en moeder bij Jozef en diens vrouw Mietje. Hij vond werk om in zijn levensonderhoud te voorzien: eerst bij een hovenier, later in een fabriek en daarna in een brouwerij (Brasserie de L’Espérance). Met het geld dat hij verdiende kon hij sparen en ook Cyriel financieel bijstaan. Regelmatig zond hij hem geld. Hij schreef daarover het volgende:

Ik stel ’t voort goed in de brouwerij; ik win 5,5 f. daags, en om 6u 1/2 s’avonds ben ik thuis (…). Waarschijnlijk zal ik in’t kort 6 fr. hebben en ik heb zooveel bier of ik wil, maar zooals ge weet ik ben geen grooten drinker; ook trek ik voort ‘n 1,25 f. zoodat ik toch nog iets kan sparen; ik heb reeds ‘n 400 fr. zuiver; nu ’t is geen nood dat ik veel verdoe; weinig of niets. Want later zullen ze genoeg te pas komen. In de eerste dagen moogt ge nog 25 fr. verwachtende zijn. Want Cyriel, ge hebt het meer noodig dan ik. Ge moet u kloek houden, en ge moet niet laten van ’n ferme pijp te rooken; ik zal het liever versparen. Cyriel, ge moogt het nooit laten van te schrijven als ge iets noodig hebt.

Brief van Constant aan Cyriel Deruytter, Villeneuve-le-Roi, 13 juli 1915 // Lees hier alle brieven //

Het enige wat hij vroeg was of Cyriel hem niet een paar legerschoenen kon opsturen, en vooral tabak. Dat thema kwam altijd terug. Belgische tabak hadden ze niet en de Franse was te duur.

De studenten houden contact

Behalve met Constant correspondeerde Cyriel veel met zijn studiegenoten van het college. Onderstaande foto werd genomen van de klas van Cyriel in het jaar 1913. Hij staat helemaal links op de tweede rij van boven. Zijn goede vriend Frans Strubbe staat schuin rechts onder hem. Ze onderhielden een drukke briefwisseling, stuurden elkaars adressen door en wisselden ook regelmatig fotoportretten uit. In een tijd zonder digitale communicatiemiddelen was het juiste adres van levensbelang.

Voor de studenten uit Roeselare die aan het front waren bestond er zelfs een speciaal, handgeschreven frontblaadje, ‘Rousselaernaerki’ geheten. Daarin werd er nieuws en adressen van leerlingen en leraars gedeeld, en werden ook gedichten opgenomen ter ondersteuning van de moraal. 

De klas van Cyriel (15) in het Klein Seminarie van Roeselare in 1913 met ook enkele vrienden waarmee hij aan het front correspondeerde: Frans Strubbe (10), Odiel Roose (14) en Remi Beel (3) (Bron: Westhoek Verbeeldt en Raf Deruyttere)

In hun brieven ging het natuurlijk over het harde soldatenleven. Zo schreef zijn klasgenoot Remi Beel (nummer 3 op de foto hierboven) eind december 1915 het volgende aan Cyriel: 

K Zeg beestenleven en waarlijk hé Cyriel ’t doel ervan is nog lager dan dat van een roofdier: zijn evenmensch dooden, daar bij worden we bijna voortgezweept als een bende dieren zoo werktuigelijk wordt immers de regeltucht bij den troep opgevat. Oh, de fameuze militairen dienst [doet] ons een leven doen (…) dat ons schijnt terug te brengen tot den tijd der krochtmenschen.

Brief van Remi Beel aan Cyriel Deruytter, De IJzer, 12 december 1915 // Lees hier alle brieven //

Niet alle vrienden waren dus even overtuigd als Cyriel van het ‘hoger doel’ van de oorlog. Uit het vervolg van de briefwisseling blijkt dat hij Remi moed insprak en hem zelfs met zachte hand terechtwees om diens ‘gebrek aan vertrouwen’. Cyriel lijkt voor veel van zijn vrienden inderdaad een vertrouwenspersoon te zijn geweest, iemand bij wie ze hun hart uitstortten en die ze om goede raad vroegen. Natuurlijk was die raad bij hem katholiek geïnspireerd.

Assistent van een aalmoezenier en brancardier

Die lijn kon hij trouwens voortzetten in zijn leven als soldaat. Hij werd immers ordonnans (= assistent) van een aalmoezenier, een taak die aansloot bij zijn religieus temperament. Het was een risicovolle taak waarbij hij zich vaak in het strijdgewoel moest bewegen om gewonde soldaten te helpen en de aalmoezenier te assisteren bij het toedienen van de laatste sacramenten. In die functie begeleidde hij ook verschillende bedevaarten naar Lourdes, zoals te zien is op de foto hieronder.

Als assistent van een aalmoezenier begeleidde Cyriel enkele bedevaarten van soldaten naar Lourdes tijdens de oorlog (hier in 1916)

Op het einde van de oorlog werkte hij ook als brancardier wat betekende dat hij gewonde soldaten met een brancard vervoerde. Het waren functies waarin hij zijn medesoldaten kon helpen en moed inspreken. In de loop van de oorlog behaalt Cyriel op die manier 5 frontstrepen voor moedig gedrag.

Vrienden in de Frontbeweging

Het ander grote thema in de brieven tussen Cyriel en zijn oud-klasgenoten was de Vlaamse zaak. Bij vele Vlamingen leefde frustratie over het gebrek aan erkenning van het Nederlands en de ondergeschikte plaats van de Vlamingen in de Belgische staat. Zeker in het leger, waar de officieren vooral Frans spraken, was dat zo. Onder Vlaamse soldaten ontstond een sterke bewustwording van de eigen identiteit, en een verlangen naar erkenning. Zij waren bereid om te strijden voor hun vaderland België, maar in ruil verwachtten ze toegevingen aan de Vlaamse eisen. De beweging die hieruit ontstond werd de Frontbeweging genoemd.

Bij de oud-studenten van het Klein Seminarie was de Vlaamse gezindheid extra sterk. De school van Guido Gezelle en Albrecht Rodenbach was een centrum van de Vlaamse Beweging. Cyriel zelf schreef hier minder over, maar sommige van zijn vrienden konden er niet over zwijgen. Eén van die vrienden was Frans Strubbe. Je ziet hem op de foto hieronder als derde van links poseren met enkele van zijn medestanders, naar aanleiding van de 11 juli-viering van het jaar 1917.

Een 11 juli-viering in 1917 aan het front met enkele Vlaamsgezinde soldaten, waaronder Frans Strubbe, een goede vriend van Cyriel als derde van links

Frans speelde tijdens de de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol in de Frontbeweging, en bleef ook nadien een leider van de Vlaamse Beweging. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij zelfs veroordeeld voor collaboratie. Hij schreef het volgende aan Cyriel:

Wij kunnen niet meer leven zonder Vlaandren en lijk de wereld nu verzucht naar de herstelling der vrede zoo verlangen wij ook hevig naar de wedergeboorte van ons Vlaanderen eens wij door onzen strijd van heden België weer vrij gekregen hebben. De nood van ons vlaamsche volk zal groot zijn, stoffelijk en geestelijk (…) en als hoogere ontwikkelden en begaafden zullen wij moeten weder opbouwen misschien met veel moeite en zelf-ontbering…. Wij moeten ons bereiden tot dit groote werk (…), bereid tot de volle sacrificie van al ons goed.

Brief van Frans Strubbe aan Cyriel Deruytter, Dieppe, 18 januari 1917 // Lees hier alle brieven //

Na de oorlog hoopten Cyriel en zijn zielsverwanten op een geestelijke en materiële heropleving van het Vlaamse volk, binnen de Belgische natie. Natuurlijk moest die heropleving voor hen gebeuren in goede katholieke geest. Wat de Vlaamsgezinde soldaten extra frustreerde was dat hun brieven soms werden geopend en gelezen door de militaire censuur. Ongewenste of gevoelige passages werden zonder pardon geschrapt. De Belgische overheid beschouwde de Vlaamse sentimenten immers als een bedreiging voor het patriottisme en de militaire slagkracht. Een onbekende vriend van Cyriel schreef hem daarover:

Gevaarlijk is’ t misschien, maar aan oude Vlaamsche kerels en geestdriftige vlaamsche studenten toch toegelaten Mevrouw Censuur eens een kaakslag te geven en ten minste in een briefje eens hun hart rechtzinnig uit te spreken!

Onbekend aan Cyriel Deruytter, plaats onbekend, 17 juli 1916 // Lees hier alle brieven //

Constant gaat in het leger

Ondertussen ging de oorlog verder. In 1917 werd ook Constant opgeroepen voor de legerdienst. Hij was dan 18 jaar. Hij kreeg zijn opleiding in het militair opleidingskamp in Camp d’Auvours. In het leger werd hij ordonnans van een commandant en later brigadier. 

Cyriel en Constant hebben elkaar zeker nog gezien tijdens de oorlog. De soldaten hadden immers af en toe verlof. Naar België teruggaan was door de bezetting onmogelijk. Wel probeerden ze tijdens hun verlof zoveel mogelijk af te spreken met hun studievrienden en met gevluchte familieleden. Hier zien we bijvoorbeeld opnieuw een portret van de twee broers, ditmaal beide in uniform. Het fysieke verschil met de 2 jaar oudere foto is treffend. De twee jongens zijn ondertussen mannen geworden.

Over de oorlogshandelingen zelf vernemen we maar weinig in de brieven, ook omdat er weinig bewaard zijn uit het laatste oorlogsjaar. We weten wel dat de Belgische soldaten over het algemeen maar weinig betrokken waren bij directe gevechten, omdat ze voornamelijk in de loopgraven bleven. Dat veranderde aan het einde van de oorlog. In april 1918 kwam de eenheid van Cyriel in zware gevechten terecht. Hij schreef er fier over aan zijn vrienden: 

Ge zoudt u wel reeds afgevraagd hebben of me niets kwalijks overkomen was – God zij gedankt neen. Niettemin hebben we sommige uren op distels gezeten – gelukkig dat we goe kleeren aanhadden. Deze laatste dagen zult ge met nieuwsgierigheid over al die heldenfeiten gelezen hebben van ons dapper leger en er met een zekere fierheid aan fransche over gesproken hebben. Duitsche krijgsgevangene zegden: “Belgen zijn geen Portugeezen”. Ze hebben het precies ondervonden ook. Onzeglijk groot was het aantal lijken – men zou gezegd hebben een uitgegoten zak boonen. Weinig van onze mannen zijn gesneuveld, eenige gekwetst. Ik ken ook drie Zarrenaars die als krijgsgevangenen naar Duitschland meegevoerd zijn.

Brief van Cyriel aan zijn vrienden, plaats onbekend, 25 april 1918 // Lees hier alle brieven //

Geef een antwoord